Voor Groen, het tijdschrift van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie, schreef ik een essay over het in de partij zo dominante ‘huisdenken’.

Stop met het Huisdenken

De metafoor van “het huis” is misschien wel de krachtigste van alle moderne politieke metaforen. Vanaf de Franse Revolutie tot het laatste boek van Gert-Jan Segers: overal duikt het huis op als manier om de samenleving te verbeelden. Deze alomtegenwoordigheid is geen toeval. Jezelf thuis voelen is een belangrijke emotie, en het thuisgevoel is volgens velen een belangrijke bron voor sociaal vertrouwen, dat weer essentieel is in een democratie. Denkers en politici gebruiken daarom vaak het beeld van het huis. Ook de sociaal-christelijke traditie kent een rijke geschiedenis van “huisdenken”. Bijbelse motieven van familie, het beeld van de kerk als een “godshuis” en het idee van God de Vader maken dat binnen de ChristenUnie altijd veel gebruik is gemaakt van beelden van (t)huis en huiselijkheid.

Ondanks de populariteit van het huis, heeft huis nooit volstaan als een adequate manier om samenleving en politiek te begrijpen. In dit essay zal ik uiteenzetten waarom het huisdenken problematisch is. Ik wil echter ook verder gaan en na de afbraak van het huis een poging doen om tot een nieuw samenlevingsbeeld te komen: de haard.

De Problemen van het Huis

De problematiek van het huisdenken begint bij de emotie waar het huis aan appelleert: jezelf thuis voelen. Sociologisch onderzoek bevestigt het belang van deze emotie. Een thuis biedt houvast en zekerheid. Het is daarom niet verrassend dat het beeld van het huis sinds het begin van het moderne politieke denken opduikt. Het huis doet zich echter vaak voor in opgeschaalde nationale vorm. Zo is het vaderland-als-gezin een leidmotief in de negentiende-eeuwse ontwikkeling van ideologieën en we vinden het huis terug in het werk van conservatieve denkers als De Tocqueville en Kuyper.

De lange geschiedenis van het huis in het Westerse politieke denken is echter geen reden om het beeld te blijven gebruiken. Er zijn drie redenen waarom spreken over het huis een slecht idee is. Allereerst bestaat er een fundamentele discrepantie tussen de eerder genoemde emotie van het thuisvoelen en de opgeschaalde vorm waarin het huis zich voordoet in politiek denken. Het gevoel van “jezelf thuis voelen” heeft namelijk niets te maken met opgeschaalde huizen, zo blijkt uit onderzoek. De emotie heeft vooral betrekking op micro-contexten: familie, kerk, straat, of wijk. Alles “daarboven” (stad, land, cultuur) vormt wel deel van onze identiteit, maar heeft maar weinig te maken met de mate waarin we ons thuisvoelen. Wanneer politici spreken over “je thuisvoelen in je eigen land” is dat een contradictio in terminis.

De gevolgen van deze mismatch zijn groot. Neem het vaak aangehaalde beeld van de veranderende buurt. Buurten veranderen van etnische samenstelling, wat gevoelens van verlies en onzekerheid oproept, aldus politici. Vervolgens wordt deze kwestie (die zich afspeelt op het niveau van straten en buurten) opgeschaald naar een discussie over een te vol of te divers land. Dit gaat voorbij aan de werkelijke issues die onzekerheid en een verlies van het thuisgevoel veroorzaken (een groeiende ongelijkheid, segregatie en gentrificatie op micro-niveau) en werkt bovendien uitsluiting en het ontkennen van minderheidsrechten in de hand. Het huisdenken in nationaal politiek debat komt dus vaak neer op een “vertalingsfout”: micro-thuisgevoelens worden veralgemeniseerd terwijl de emotie van het thuisvoelen niet te generaliseren is. Politici misbruiken lokale ervaringen en indrukken en plaatsen hiermee het thuisgevoel in een (nationale) context waar het niets te zoeken heeft.

Ten tweede is het huisdenken ook ideologisch problematisch. Huisdenken duikt namelijk pas op als het gaat om kwesties rond migratie en islam. Pogingen om tot een positieve invulling van het huis te komen monden vrijwel altijd uit in krampachtige en bovenal illusoire ideeën als de “joods-christelijke samenleving”. Daarnaast dienen deze beelden van het huis vaak een zeer specifiek doel. Ze worden gebruikt om een maatschappelijke orde van bovenaf op te leggen, orde die bestaat uit een duidelijke hiërarchie, geen plaats kent voor debat en vooral niet mag veranderen. Zo propageerde de negentiende-eeuwse Oranjevorsten zich vaak als “vader van het huis” om publiek debat de kop in te drukken en wijst Abraham Kuyper in zijn bundel Als gij in uw huis zit: meditatiën voor het huislijk saamleven (1899) toch vooral op het belang van een hierarchisch gestructureerde maatschappelij, bestaande uit een figuurlijke man des huizes, een dienende vrouw en gehoorzame kinderen.

In de politieke praktijk van vandaag de dag vertalen deze eigenschappen van het huisdenken zich vooral in een discussie die draait om identiteit. Als politici menen dat “we” ons niet thuis voelen schiet elk debat onvermijdelijk door naar de vraag wie “we” eigenlijk zijn. Carl Schmitt, de roemruchte criticus van de liberale democratie die op dit moment een ongekende populariteit geniet bij zowel links als rechts, omschreef politiek als definitie van vrienden en vijanden, gevolgd door eindeloos conflict. Bij het conceptualiseren van de samenleving als huis verwordt politiek tot zo’n Schmittiaanse nachtmerrie terwijl politiek ook zou kunnen gaan over bijvoorbeeld het nastreven van het goede, het verdelen van welvaart of het kanaliseren van maatschappelijke spanningen.

Een derde problematische eigenschap van het huisdenken is het feit dat deze manier van politiek redeneren onvermijdelijk leidt tot het zetten van een primaat op één vorm van het gemeenschappelijk huis. Of het nu een federaal Europa, een kosmopolitische “wereld” of de natiestaat is: huisdenken dwingt tot kiezen. Het is een zero-sum game. Je bent Europeaan, Nederlander of wereldburger. Hiermee is politiek huisdenken xenofoob in de letterlijke zin van het woord: bang voor het andere. Onderliggend aan deze zero-sum game en de identiteitspolitiek in het algemeen ligt het idee dat de “huizen” af zijn. Dit beperkt ons denken. Door uit te gaan van de voltooidheid van mensen, culturen en politieke systemen worden we gedwongen om te kiezen, terwijl de sociaal-politieke realiteit vele malen complexer is dan deze keuzes ons doen geloven. Zo is de tegenstelling tussen nationale soevereiniteit en Europese samenwerking zoals die ook door de ChristenUnie benadrukt wordt ontzettend beperkend: het dwingt ons bij iedere politieke kwestie te kiezen tussen ons eigen huis of het Europese huis terwijl de praktijk veel complexer is.

Van Huis naar Haard

Hoe nu verder? Wat te doen nu het huis in puin ligt? Geen zorgen, in de sociaal-christelijke traditie liggen de fundamenten van een nieuw samenlevingsbeeld verstopt. In het tweede deel van dit essay probeer ik dit beeld verder uit te bouwen. Hierbij zou ik niet het huis, maar de haard willen gebruiken om de samenleving anders en beter de verbeelden.

Waarom de haard? Daarvoor moeten we terug naar het basisbeginsel van de sociaal-christelijke politiek: een goed leven is een leven in verbinding. Sociale relaties vormen de samenleving. Verbinding is hier geen soft geknuffel, maar vloeit voort uit de onvoltooidheid of “gebrokenheid” van de dingen. Ieder mens, dier, idee of ding is onaf. Vanuit deze onvoltooidheid vloeit sociaal gedrag voort. We hebben elkaar nodig en vullen elkaar aan. Begrippen als subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring laten zien hoe dit denkkader sterk geworteld is in de sociaal-christelijke traditie. Het huisdenken ontkent de onvoltooidheid van mens en samenleving. Het redeneert vanuit voltooidheid en vastomlijnde hokjes en kamers, en het staat haaks op het idee van gebrokenheid of onvoltooidheid. Daarmee verbindt het huisdenken ook conservatief radicaal-rechtse ideeën over een “af” volk met (neo)liberale fantasieën over een “af” individu. Met andere woorden, zowel het “homeopatisch verdunnen” van Baudet als de euthanasieplannen van Jetten vloeien voort uit het idee dat culturen en individuen af en onafhankelijk zijn, en het liefst ook zo gelaten moeten worden.

Het is dus zaak een begrip van de samenleving te vinden dat recht doet aan de “onafheid” van mensen en culturen. Behulpzaam daarbij is de Franse denker Bruno Latour. In zijn boek Wij zijn nooit modern geweest, rekent hij af met de Westerse obsessie met categorieën, hokjes en puurheid. In plaats van huisdenken pleit Latour voor een fundamenteel andere kijk op de sociale (en dus politieke) werkelijkheid. Tegenover de hokjes en huizen zet Latour netwerken. Volgens de Fransman bestaat de wereld uit niets anders dan verbindingen, relaties en knooppunten. Stel je een groot web van draden voor. Op de punten waar de draden elkaar raken ontstaat een knooppunt. Dit knooppunt bestaat niet op zichzelf, maar is louter een samenkomst van lijnen.

Met deze vrij abstracte postmoderne manier van denken legt Latour de nadruk op complexiteit, relationaliteit en veranderlijkheid. De lijnen of draden in het netwerk veranderen constant en raken elkaar steeds op andere plekken. Als we dit idee vertalen naar “het sociale” verschuift de focus van het huis en de definitie daarvan naar de ontmoetingsplekken en raakvlakken tussen de lijnen in het netwerk. De samenleving is niets anders dan de optelsom van alle raakvlakken. Vanuit dit idee heeft het weinig zin om te peinzen over het karakter of de aard van de samenleving. Als mens en als samenleving zijn we niet af of voltooid. We veranderen en spannen onze draden dagelijks op andere manieren. We “netwerken” in de letterlijke zin van het woord, niet omdat we dat perse willen, maar omdat sociaal gedrag voortvloeit uit onze onvolkomenheid.

Het beeld van het netwerk zorgt ook voor een andere kijk op het thuisgevoel. Deze emotie ontstaat namelijk rondom de knooppunten in het netwerk. De kerk, sportclub of supermarkt zijn plaatsen van verbinding. Het zijn geen kamers in een vastomlijnd huis, maar oplichtende punten van sociaal contact. Hier past het beeld van vuur en de haard goed bij. Rondom een haard verzamelen mensen zich, en ontstaat nieuwe energie. Vanuit het perspectief van de haard ziet de samenleving er anders uit. Een wirwar van lijnen, niet in te delen in categorieën en vakjes, en altijd in beweging. Op de knooppunten ontstaat bovendien een behaaglijke warmte, een thuisgevoel.

De haard is niet alleen een betere manier om samenleven te begrijpen, het wijst ook op de echte problemen waarvoor mensen zich geplaatst zien. Openbaar vervoer dat verdwijnt, multinationals die de buurtsuper verdrijven, werkdruk die elke zuurstof uit het publieke leven zuigt, hoge belastingen voor eenverdieners en dagelijkse praktijk van verdrinking op de Middellandse Zee, ingegeven door het Europese huisdenken. Het zijn dit type problemen die het thuisgevoel werkelijk bedreigen. Politiek zou daarom moeten gaan over de zorg voor de haard en het faciliteren van knooppunten.

In plaats van te spreken van “ons gemeenschappelijk huis” doen we er als christenen en politici goed aan om deze retoriek achterwege te laten. Ga in plaats daarvan op zoek naar de haarden om je heen, en zorg dat ze blijven branden.